
Stappenplan met voorbeelden
Bekijk hieronder verschillende praktijkrekenvragen die stap voor stap worden uitgelegd met het stappenplan.
Voor een aantal van deze oefenvragen is gebruikgemaakt van voorbeeldexamens van Examenblad.
Op deze pagina leer je hoe je praktijkrekenvragen stap voor stap kunt oplossen met het stappenplan.
Bij deze vragen moet je vaak meerdere berekeningen maken en goed nadenken welke bewerking je nodig hebt, bijvoorbeeld delen of vermenigvuldigen.
Pas bij elke nieuwe vraag opnieuw het stappenplan toe. Zo houd je goed overzicht.
Oefen eerst met de voorbeelden en ga daarna zelf aan de slag op de oefenpagina.
Blijf oefenen, zo word jij een echte reken-PRO!
De opgaven
Koffiemoment op de woongroep
Je loopt stage op een woongroep voor ouderen. Om 10.00 uur is er koffiepauze, Jij helpt met het uitdelen van de koekjes bij de koffie. Er zijn 7 cliënten aanwezig tijdens de koffiepauze. Iedere cliënt krijgt 2 koekjes bij de koffie. In één pak zitten 15 koekjes.
Vragen:
-
Hoeveel koekjes heb je totaal nodig?
-
Hoeveel pakken koekjes moet je openen?
-
Hoeveel koekjes houd je over?
Stap 1: Lees rustig door
Je moet uitrekenen hoeveel koekjes je nodig hebt, hoeveel pakken je nodig hebt en hoeveel je overhoud.
Stap 2: Zoek belangrijke informatie
Er zijn 7 cliënten, ieder krijgt 2 koekjes, in 1 pak zitten 15 koekjes
Stap 3: Bedenk de som
Ga je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen of...
- Je moet hier vermenigvuldigen (Totaal aantal koekjes de je nodig hebt)
- Je met hier delen (hoeveel pakken koek heb je nodig)
- je moet hier aftrekken (hoeveel koekjes blijven over)
Er zijn dus meerdere sommen nodig.
Stap 4: Reken stap voor stap
- totaal aantal koekjes : 7 cliënten x 2 koekjes = 14 koekjes totaal
- aantal pakken nodig: 14 koekjes : 15 koekjes per pak = 0,93 pak. Je kunt geen deel van een pak openen, in een realistische situatie moet je hele verpakkingen gebruiken, daarom rond je naar boven af. Je hebt 1 pak koekjes nodig.
- hoeveel blijft over: 15 koekjes in één pak - 14 koekjes nodig = 1 koekje blijft er over
Stap 5: Controleer je antwoord
Ben je niks vergeten
klinkt je antwoord logisch voor de situatie
Vraag 2 Lunch voorbereiden op de woongroep
Je loopt stage bij een verzorgingstehuis. Jij mag vandaag helpen bij het maken van de lunch. Er zijn vandaag acht cliënten bij de lunch, en iedere client krijgt 1 tosti en 1 kop tomatensoep, jij mag de tosti's maken voor de cliënten. Voor 1 tosti heb je 2 sneetje brood, 1 plakje kaas en 1 plakje ham nodig. Een brood bevat 16 sneetjes, in een pak kaas zitten 10 plakken kaas en in een pak ham zitten 12 plakken ham.
-
Hoeveel broden heb je nodig?
-
Hoeveel pakken kaas heb je nodig?
-
Hoeveel pakken ham heb je nodig?
Stap 1: Lees rustig door
Je moet uitrekenen hoeveel broden, plakken kaas en hoeveel ham je nodig hebt voor het maken van de tosti's
Stap 2: Zoek belangrijke informatie
Er zijn 8 cliënten, ieder krijgt 1 tosti.
voor één tosti heb je 2 plakken brood, 1 plak kaas en 1 plak ham nodig.
Een brood bevat 16 sneetjes, in een pak kaas zitten 10 plakken kaas en in een pak ham zitten 12 plakken ham.
Stap 3: Bedenk de som
Ga je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen of...
- Je moet hier vermenigvuldigen (totaal aantal sneetjes brood, plakjes kaas en plakjes ham voor de 8 tosti's)
- Je moet hier delen (hoeveel broden pakken kaas en pakken ham heb je nodig)
Er zijn dus meerdere sommen nodig.
Stap 4: Reken stap voor stap
-
Brood: 8 cliënten × 2 sneetjes brood = 16 sneetjes brood nodig
-
1 brood heeft 16 plakken, 16 sneetjes nodig :16 sneetjes in één brood = 1. 1 brood is genoeg
-
-
Kaas: 8 cliënten × 1 plakje kaas = 8 plakken kaas nodig
-
1 pak kaas heeft 10 pakjes, 8:10 = 0,8 1 pak kaas is genoeg
-
-
Ham: 8 cliënten × 1 plakje ham = 8 plakken ham nodig
-
1 pak heeft 12 plakjes ham, 8:12 = 0,66, 1 pak ham is genoeg
-
Stap 5: Controleer je antwoord
Ben je niks vergeten
is je antwoord logisch voor de situatie
Het echtpaar de Boer is 50 jaar getrouwd en wil in het dorpshuis een feest geven voor de familie. De familie bestaat inclusief het echtpaar de Boer uit 45 personen waarvan 35 volwassenen en 10 kinderen. Het echtpaar wil graag 2 koppen koffie met gebak voor de volwassenen en 2 glazen limonade met gebak voor de kinderen. Na het koffiemoment willen ze graag een stamppot buffet voor iedereen met voor alle volwassenen 2 alcoholische consumpties en voor de kinderen 2 non-alcoholische consumpties, voor de rest krijgt iedereen water. Ook willen ze de gehele dag (ochtend en middag) een springkussen huren. Hieronder staat de prijslijst van het dorpshuis. Het echtpaar de Boer heeft €1000,00 gespaard voor het feest. Bereken wat het echtpaar in totaal moet betalen voor het feest en bereken of ze voldoende gespaard hebben of niet. geef ook aan hoeveel het echtpaar tekort komt of hoeveel ze overhouden.
Stap 1: Lees rustig door
Je moet uitrekenen wat het echtpaar in totaal moet betalen voor het feest, of ze voldoende gespaard hebben en wat ze overhouden of tekort komen.
Stap 2: Zoek belangrijke informatie
35 volwassenen, 10 kinderen. 2 Koppen koffie met gebak voor de volwassenen en 2 glazen limonade met gebak voor de kinderen. Een stamppot buffet voor iedereen met voor alle volwassenen. 2 Alcoholische consumpties en voor de kinderen 2 non-alcoholische consumpties, voor de rest krijgt iedereen water. Een springkussen voor de gehele dag.
Stap 3: Bedenk de som
Ga je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen of....
- Je moet hier vermenigvuldigen (de kosten keer het aantal gasten en het echtpaar zelf)
- Optellen (alle kosten bij elkaar op tellen voor het totaal bedrag)
- Aftrekken (het gespaarde bedrag min de totale kosten)
- Optellen of aftrekken (hoeveel komen ze tekort of houden ze over)
Er zijn dus meerdere sommen nodig.
Stap 4: Reken stap voor stap
-
Totale kosten berekening: Koffie 35 × 2 = 70 koppen 70 × €1,95 = €136,50. Gebak 45 × €2,50 = €112,50. Limonade 10 × 2 = 20 glazen 20 × €1,95 = €39,00. Stamppot buffet volwassenen 35 × €11,50 = €402,50 kinderen 10 × €7,50 = €75,00. Alcoholische dranken 35 × 2 = 70 consumpties
70 × €3,50 = €245,00. Non alcoholische dranken 10 × 2 = 20 consumpties 20 × €2,50 = €50,00. Water 45 × €1,00 = €45,00. Springkussen hele dag = ochtend + middag = 2 dagdelen €50,00 × 2 = €100,00 - Totale kosten: alles bij elkaar opgeteld:
+€136,50
+€112,50
+€39,00
+€402,50
+€75,00
+€245,00
+€50,00
+€45,00
+€100,00
totaal : €1205,50
- Hebben ze genoeg of niet €1000,00 - €1205,50 = - €205,50
- Het echtpaar de Boer heeft €205,50 tekort
Stap 5: Controleer je antwoord
Ben je niks vergeten
Is je antwoord logisch voor de situatie
Je loopt stage bij BSO De Zon. Vanmiddag organiseer je een knutselactiviteit voor de kinderen. Er zijn 18 kinderen aanwezig. De activiteit duurt van 14.00 tot 16.00 uur.
De kinderen werken in groepjes van 6 kinderen per tafel.
Voor de knutselactiviteit heeft ieder kind nodig: 2 vellen gekleurd papier en 1 potje lijm. In één pak zitten 50 vellen papier. In één doos zitten 10 potjes lijm.
Bereken hoeveel groepjes er nodig zijn en hoeveel vellen papier je in totaal nodig hebt en hoeveel pakken papier je nodig hebt. Hoeveel potjes lijm heb je nodig en hoeveel dozen lijm je moet openen. Kijk ook of deze activiteit binnen de tijd van 2 uur past als je per groepje 30 minuten uitleg geeft?
Stap 1 – Lees rustig door
Je moet berekenen hoeveel groepjes er nodig zijn, hoeveel vellen papier je in totaal nodig hebt en hoeveel pakken papier dit zijn. Hoeveel potjes lijm heb je nodig en hoeveel dozen lijm je hiervoor moet openen. Kijk ook of deze activiteit binnen de tijd van 2 uur past als je per groepje 30 minuten uitleg geeft?
Stap 2 – Zoek belangrijke informatie
18 kinderen, 6 kinderen per tafel, 2 vellen papier per kind, 1 potje lijm per kind. 50 vellen papier per pak, er zitten 10 potten lijm in een doos. Je geeft 30 minuten uitleg per groep
Stap 3 – Bedenk de som
Ga je optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, delen of....
-
Je moet delen (Hoeveel groepjes moet je maken)
-
Vermenigvuldigen ( Totaal aantal vellen papier en potten lijm)
-
Delen (hoeveel pakken papier en dozen lijm heb je nodig)
-
Vermenigvuldigen (hoeveel tijd heb je nodig bij 30 min, uitleg)
-
Vergelijken (past de activiteit binnen de tijd)
Stap 4 – Reken stap voor stap
- De groepjes: 18 kinderen ÷ 6 per tafel = 3 groepjes
- vellen papier:
- 18 × 2 = 36 vellen papier nodig.
- In één pak zitten 50 vellen, 36 ÷ 50 = 0,72 Je hebt aan 1 pak papier genoeg
- potten lijm:
- 18 × 1 = 18 potjes lijm nodig,
- In één doos zitten 10 potjes, 18 ÷ 10 = 1,8. Je moet 2 dozen lijm openen om 18 potten te kunnen gebruiken
- De tijd:
- 3 groepjes × 30 minuten uitleg = 90 minuten (1 uur en 30 min)
- Beschikbare tijd: van 14.00 tot 16.00 = 2 uur = 2x 60 minuten = 120 minuten. 90 minuten is minder dan 120 minuten. 120-90 = 30 over, de activiteit past binnen de tijd (je houdt 30 min, over voor het knutselen)
Stap 5 – Controle
Ben je niks vergeten?
klinkt het logisch?